Het Protestantisme, historiek en grondgedachte
Het protestantisme heeft zijn wortels in de 16de eeuw. Toen kwam er binnen de Rooms-Katholieke kerk een hervormingsbeweging op gang. Haar doel was de éne kerk te hervormen, niét het stichten van een andere kerk. Vandaar dat de uiteindelijke breuk nog steeds met de term 'kerkhervorming' of 'reformatie' wordt aangeduid.
De kerkhervormers, onder de indruk van de inderdaad soms grove wantoestanden in de kerk, meenden dat de oorzaak daarvoor gezocht moest worden in het feit dat de kerk door al haar instellingen de échte boodschap van de Bijbel verduisterd had. De kerk was ziek, vervormd. Herstel kon slechts liggen in herbronning. Pas toen voor de daartoe noodzakelijke hervorming op de lange duur geen ruimte bleek, zijn de 'protestanten' er niet alleen uitgestapt, even zo vaak werden ze er uitgezét en verketterd.
Het protestantisme was geen marginaal verschijnsel. In onze streken kan de opkomst van het protestantisme niet los worden gezien van het feit dat "de nieuwe godsdienst" als het ware door de politiek werd opgenomen. De hervorming vindt plaats in de tijd waarin de Nederlanden streven naar politieke vrijheid en onafhankelijkheid, de opstand tegen de Spaanse heerser, die in zijn rijk slechts één godsdienst duldt, de Rooms-Katholieke.
Ooit (1580-1585) was Mechelen een protestantse stad, met een protestants stadsbestuur. De Rooms-Katholieke kerken werden omgedoopt tot protestantse kerken, zo ook de grote St. Romboutskathedraal, waar Willem van Oranje eens een zondagse eredienst meevierde.
Ingevolge de krijgskansen werd wat nu Vlaanderen is, door Spanje heroverd en bijgevolg opnieuw Rooms-Katholiek. Wie toch 'andersdenkend' wilde blijven, moest emigreren.
Het essentiële kenmerk van protestanten is gelegen in het gezag dat aan de Bijbel wordt toegekend. De vooronderstelling die in de hele christelijke kerk geldt, is dat God op de één of andere manier mensen door die Bijbel aanspreekt. Protestanten zijn daar radicaal in en vinden het daarom onjuist om aan andere zaken als kerkstructuur of gezagsverhouding absolute waarde toe te kennen. Je zou het protestantisme 'een reducerend geloof' kunnen noemen. Dat verklaart bijvoorbeeld ook de beeldenstormen uit de 16de eeuw, het vernielen van alles wat - volgens protestanten - de kern van het Bijbels geloof verduistert en in de schaduw zet. Om dezelfde reden kennen protestanten geen kerkelijk-hiërarchisch leergezag. Het is in onze ogen niet zo dat de kerk een waarheid bezit, die zich in de loop der eeuwen verder ontvouwt, en dat daarom elke latere conclusie zich niet mag begeven buiten de grenzen van de vorige. Volgens protestanten moet elke gelovige, elke kerkgemeenschap vanuit de eigen situatie en tijd leren verstaan hoe God door de Bijbel tot mensen spreekt. Dat is de waarheid om mee te leven. Ieder leest de Bijbel in eigen verantwoordelijkheid. Vandaar dat protestanten en protestantse kerken ook onderling erg van elkaar kunnen verschillen. Protestanten moeten per definitie tolerant zijn, elkaar in verschillen als geloofsgenoten blijven zien.
Die grondgedachte 'de Bijbel alleen' zie je ook letterlijk terug: wie een protestantse kerk binnenkomt, zal het opvallen dat die kerk heel sober is ingericht. Behalve stoelen of banken, staat er een doopvont, er hangt een kruis aan de wand, op de tafel ligt een opengeslagen Bijbel. Veelal blijkt uit de opstelling duidelijk dat de kansel (preekgestoelte) centraal staat, want op die kansel gaat het om het Woord. In de protestantse eredienst en geloofsbeleving draait alles om het Woord, het omgaan met de Bijbel. Hoe sta ik nu met de Bijbel in dit leven, in deze samenleving? Dat is de vraag. Dáár moet het in de kerk dan ook over gaan.